uit Volkskrant magazine 31 januari 2004
door Nell Westerlaken

Je bent op vakantie in een Derde-Wereldland en wordt getroffen door de ellende. Eenmaal thuis blijven de pijnlijke beelden hangen en besluit je om zelf iets te doen. Steeds meer weldoeners steunen goede doelen buiten het officiële circuit om. 'Bij mij blijft niets aan de strijkstok hangen.'

Doe-het zelvers in liefdadigheid

Toen Candy Idoko drie jaar geleden een tennistoernooitje won in zijn vaderland Nigeria, wist hij niet eens wat de hoofdprijs eigenlijk inhield. Hij had een ticket gewonnen. Hij raadpleegde zijn familie en zijn vrienden, maar ook zij konden hem niet vertellen wat dat was, een ticket. Candy was 14, hij werkte als ballenjongen bij een tennisclub in de stad Kaduna. De schamele fooien die welgestelde leden van de club hem toestopten, vormden het inkomen voor een groot gezin. Met de aalmoezen hield hij zijn werkloze vader, zijn moeder, zijn vijf zussen en drie broers in leven, in een doodarme wijk. Naar school ging Candy 'on and off', dat wil zeggen: als er niks te verdienen was. Candy kwam van een totaal andere planeet dan de rijken wier tennisballen hij raapte bij de club. 'Ik was eerst niet geïnteresseerd in tennis. Ik had geen racket en geen schoenen. Het enige dat telde voor mij was dat beetje geld dat ik voor mijn familie kon verdienen.' Bart van der Grinten was in 1999 naar Kaduna gekomen met zijn vrouw, die was uitgezonden door de leprastichting. Hij had zijn baan als marketingmanager bij een farmaceutisch bedrijf opgezegd, hij zou wel zien wat er op zijn pad kwam. Allereerst liep hij tegen een zieltogend projectje aan waarin leprapatiënten stoffen beschilderden met zeefdruktechnieken. Hij besloot het nieuw leven in te blazen. En hij werd lid van de tennisclub. 'Gewoon voor de lol. We zagen al gauw dat die ballenjongens straatarm waren. Ze verdienden misschien een kwartje per dag. Ik wilde oude schoenen en rackets voor ze regelen, en als het even kon die jongens naar school sturen.

Blank, dus rijk
Het was, zegt Bart - met de kerst in Nederland samen met Candy - uit een behoefte iets te doen aan alle hartverscheurende ellende die hij dagelijks om zich heen zag. 'Je kunt natuurlijk hier en daar een paar euro uitdelen, maar ik wilde het wat structureler aanpakken. Ik had toch niks te doen.' Bart had nog een reden om zich verdienstelijk te maken voor de straatarme bevolking: 'Je bent blank, dus rijk. Om de haverklap kwamen mensen vragen om geld - schoolgeld, geld voor een ziek familielid, geld  voor een huisje dat was afgebrand. Je kunt je daar niet voor afsluiten, maar je kunt ook niet iedereen wat geven. Dat blijft dan knagen. Ik had behoefte aan de afscherming van mijn eigen geweten.' Zo verzeilde Bart van der Grinten in het ontwikkelingswerk. Het zeefdrukproject kan zichzelf inmiddels bedruipen - in de eerste twee jaar werd 15.000 dollar omgezet - en zeventien ballenjongens gaan naar school en krijgen tennistraining. Bart scharrelde een paar jaar terug sponsors bij elkaar voor een toernooi en klopte onder meer aan bij een luchtvaartmaatschappij die geen geld fourneerde, maar een ticket. Door de vorm van deze hoofdprijs begon een veelbelovende toekomst voor een arme jongen, die een natuurtalent bleek. Candy Idoko, net 18 geworden, traint nu een paar keer per jaar met de top van de Nederlandse tenniswereld. Hij stond inmiddels op de baan met Paul Haarhuis en Sjeng Schalken. 'Ik heb laatst 200 dollar gewonnen in een toernooitje. Voor dat geld kon mijn familie een hele tijd eten en kon ik zelfs kleine cadeautjes voor hen kopen.' Wellicht belangrijker is dat Candy een voorbeeld is geworden voor zijn vrienden, die hard leren en trainen. Bart zelf is inmiddels bezig met de wederopbouw van een kliniekje met een apotheek, waarbij hij ook zijn voormalige werkgever heeft ingeschakeld.

Aftrekbaar
Van der Grinten had zijn projecten nooit van de grond gekregen zonder de financiële hulp van goede gevers; vrienden, bekenden en familie. Ze trokken hun portemonnee om Bart te helpen op basis van vertrouwen, want de stichting Co Foundation die hij later oprichtte (en waardoor giften aftrekbaar worden voor donateurs), bestond in het begin nog niet. Voor het opzetten van een website ontbrak vooralsnog de tijd. Bart is lang de enige niet die een beroep doet op de liefdadigheid van zijn directe omgeving. Vooral het laatste decennium is er naast het officiële goede-doelencircuit een omvangrijk netwerk ontstaan van kleine, particuliere weldoeners die direct betrokken zijn bij 'hun' project. Donateurs en sponsors worden vaak op persoonlijke titel aangesproken. Vooral de Derde Wereld is 'populair', vanwege het idee dat er rechtstreeks kan worden bijgedragen aan de aanpak van het schrijnende armoedeprobleem. Hoeveel van die projecten er zijn? Er is geen slag naar te slaan, omdat de meeste niet zijn geregistreerd bij het Centraal Bureau Fondsenwerving. Het cbf heeft aan 173 goede doelen zijn keurmerk gegeven en heeft voor zeventig organisaties een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Flore Clerkx van het cbf schat dat met deze aantallen 85 tot 90 procent van de giftenstroom terechtkomt bij door het cbf geregistreerde organisaties. Het lijkt een wild guess, evenals de schatting dat Nederland zo'n dertigduizend goede doelen kent. Iedereen mag tenslotte fondsen werven, de wettelijke regels zijn beperkt. Het aantal doe-het-zelvers in de filantropie is niet te tellen, evenals het aantal donateurs en vrijwilligers.

Dertiende maand
Want hoe gaan die dingen. Je bent op vakantie of voor werk in een Derde Wereldland en wordt getroffen door de armoede en ellende. Eenmaal thuis aan de keukentafel blijven de pijnlijke beelden hangen en ontstaat het besluit om zelf iets te doen. Iets meer dan het uitschrijven van een girootje aan een groot fonds dat op tv, in bladen en via mailings om geld vraagt met een foto van een verdrietig, exotisch kindersmoeltje. Heb je de ellende niet met eigen ogen gezien, dan is het wel zo sympathiek om een actieve vriend of kennis financieel te steunen die terugkomt met schrijnende verhalen. Niet zelden komt er een sneeuwbal op gang van donateurs, 'vrienden van' en grotere sponsors, en groeit een klein initiatiefje uit tot een deels informeel netwerk. Journalist en fotograaf Rob Cobben uit het Limburgse Sibbe verzond een paar jaar geleden met zijn kerstkaarten een brief aan zijn vrienden en familie waarin hij aandacht vroeg voor een groep weeskinderen in Burkina Faso: 'Als jullie toch een kerstbonus of een dertiende maand krijgen...' Volgde een gironummer. Een weeshuis was weliswaar net gebouwd, maar verder ontbrak het aan alles wat een mens nodig heeft om te leven. Als kenner van West-Afrikaanse muziek en betrokkene bij het jaarlijkse Festival Mundial in Tilburg reisde Cobben naar muziekfestivals in Burkina Faso. De groep van zo'n veertig weesjes, uit het dorpje Latou, was al in 1997 'ontdekt' door enkele Nederlanders die het land bezochten voor een cultureel uitwisselingsprogramma. Ze begonnen de stichting Yelkabé ('geen probleem' in de lokale taal), zamelden geld in onder bekenden en lieten in 1999 het weeshuis bouwen. Cobben vroeg zijn vrienden vervolgens om geld voor een waterput, op persoonlijke titel. Voor de uitvoering van de bouw zocht hij aansluiting bij Yelkabé die inmiddels een kleine infrastructuur en een organisatie in Burkina Faso had opgezet. Anno 2004 hebben de stichting en haar vrienden een graanbank van de grond geholpen, een kippen- en varkensboerderij, een zonne-energieproject en werken ze aan verbetering van het onderwijs en de gezondheidszorg. In Burkina staan vijf mensen op de loonlijst, de activiteiten in Nederland vallen in de categorie liefdewerk-oud papier. In 2003 werd zo'n 40.000 tot 50.000 euro ingezameld.

Te grote wagens
'Het nieuwe type filantroop wil veel zelf organiseren', zegt Theo Schuyt, bijzonder hoogleraar filantropie, sponsoring en vrijwilligerswerk aan de Vrije Universteit in Amsterdam 'en de moderne gever wil direct betrokken zijn bij het goede doel waaraan hij zijn geld besteedt.' De kleine projecten, die Schuyt ziet als een aanvulling op de grote, bestaande goede doelen, voorzien direct in deze behoefte. Behalve de weldoeners die zich direct in de kleinschalige ontwikkelingshulp hebben gestort zijn vele stichtingen actief die donateurs werven voor doelen die ze zelf hebben uitgezocht. Ze zijn vaak de kurk waarop de projecten drijven, samen met bedrijven en clubs die meestal directe connecties hebben met de veldwerkers. Ook bij (semi)overheidsinstanties zijn vaak potjes geld te vinden. Er wordt intussen wat afgetennist, gerend en geschaatst om geld in te zamelen voor een schooldak, een weeshuis of een werkplaatsje. Alexandra Janse (33) richtte met een vriendin de stichting Vliegende Nonnen op - de naam bedachten ze in de kroeg. Op 5 december 2002 zaten ze bij notaris Nicolaas Kloosterman die de toevallige samenloop van namen en datum, plus het doel van de stichting wel kon waarderen en de stichtingskosten cadeau deed. Het geld dat de Vliegende Nonnen lospeuterden - vorig jaar zo'n 15.000 euro - gaat naar drie projecten voor kinderen in Centraal en Zuid-Amerika, geleid door Nederlanders. 'Tijdens onze reizen hebben we een project bezocht waar de medewerkers dure sieraden droegen en in veel te grote wagens reden. Daar geven we dus geen geld aan', verklaart Janse de keuze voor kleinschaligheid. Maar de uiteindelijke keuze, zegt ze, wordt mede ingegeven door 'een gevoel'. Hun initiatief kwam niet alleen voort uit medelijden met zielige kindertjes, maar eveneens uit de behoefte om zelf zeggenschap te hebben over de besteding van het geld, en vooral: om zelf de handen uit de mouwen te steken, ook al wonen en werken ze beiden in Nederland. 'Als we naar de projecten gaan, twee keer per jaar, kopen we zelf dingen die nodig zijn in overleg met degenen die het project runnen. In Nicaragua bijvoorbeeld hebben we rugzakken en schoolmateriaal gekocht. Op de plaatselijke markt, dan investeer je weer in de lokale economie.' Het voordeel van kleine particuliere projecten is dat ze voor de donateurs transparant zijn, zegt Esther Jacobs, initiatiefneemster van de Donateursvereniging Nederland die vorig jaar het licht zag. 'Je weet waaraan je geeft en je weet aan wie je geeft. Er is persoonlijke controle en vertrouwen. Jaarverslagen van grote organisaties komen vaak pas een jaar later uit, en dan nog: dan moet je eerst zo'n verslag gaan lezen om erachter te komen of ze hun doelstelling hebben gehaald.' Haar vereniging wil richtlijnen geven voor donateurs, zodat die zelf het kaf van het koren kunnen scheiden. Voor de donateurs van de stichting die Nel van Daelen-Westdorp oprichtte is de controle simpel: ze kunnen haar gewoon bellen. De 78-jarige weduwe reist sinds vier jaar stad en land af voor 'haar' kinderen uit Braziliaanse sloppenwijken waar ze tijdens een vakantie mee naartoe werd genomen door een lokale dominee. 'Ik sta op preekstoelen en ik open kroegen voor het goede doel.' Ze praatte inmiddels meer dan 200.000 euro los en opende in juni 'haar kindertehuis' in de stad Campinas: het Casa da Nel (huis van Nel). 'Bij mij blijft er helemaal niets aan de strijkstok hangen', zegt ze, 'ik betaal al mijn persoonlijke kosten - tickets, benzine - zelf.' Het waren niet alleen smekende kinderogen die Nel de liefdadigheid introkken: 'Ik was 64 toen mijn man overleed. Ik heb een paar jaar in zak en as gezeten. Een vriendin nam me mee naar een golfclub, maar hoe leuk ik het ook vond, ik wist dat ik daarmee niet de rest van m'n leven kon doorbrengen. Dit is een nieuwe levensvervulling, ja. Als ik dit niet had, was ik nooit 78 geworden.' De 'golf' is inmiddels een van de vele sponsors van haar Stichting Project Brazilië. 'Ik zei: kijk naar die foto's en gireren jullie!'

Daadkracht
Maar daadkracht, enthousiasme en transparantie alleen zijn meestal niet voldoende om een goed bedoeld project in het buitenland in elkaar te timmeren. De uitvoering van het werk ter plaatse wordt vaak (deels) uitbesteed aan lokale krachten. 'Die willen zo'n project weleens als hun eigen kindje gaan zien en het geld alleen op hun manier uitgeven', zegt Jos Zuylen, voorzitter van Yelkabé. De controle op de besteding gebeurt door Nederlanders die het dorp in Burkina Faso al of niet in combinatie met een muziekfestival bezoeken. Letterlijke sociale controle. Een stevig bestuur is eveneens van belang, als waarborg voor donateurs en als controlerend orgaan. Ana-Maria Ackermans en Carla Nolte ('het hart') stellen het (Nederlandse) bestuur ('het verstand') van hun stichting Los Niños uitgebreid voor op hun website. De vrouwen, begin 50, begonnen in 2003 een project in Antigua, Guatemala, ter verbetering van het onderwijs en levensomstandigheden. Het groeide als een sneeuwbal: ze slepen gezinnen van de vuilnisbelt, helpen individuen uit de goot, ondersteunen scholen en lokale weldoeners, ze voeden daklozen en kinderen die thuis niet genoeg eten krijgen, en helpen anderen helpen, onder meer door het inzetten van vrijwilligers uit Nederland. Inderdaad, 'de keuze van de dingen die we ondersteunen is vaak gevoelsmatig', mailt Ana-Maria vanuit Guatemala. Ze bracht twee jaar ervaring in ontwikkelingswerk mee uit Ecuador, waar ze werkte voor Foster Parents Plan. Hun levenslijn met Nederland: internet. Om de betrokkenheid van de gevers te optimaliseren en de transparantie te bevorderen krijgen donateurs en sponsors uitgebreide persoonlijke verslagen van alle projecten van Los Niños. Variërend van het wel en wee van een enkel gezin tot en met het opzetten van een school. Het kan misgaan, en ook daarover zijn de vrouwen open. Nadat een man die ze hadden begeleid en gekoesterd voor de zoveelste keer aan de crack was geraakt, 'moesten we hem loslaten omdat voor ons de pijn anders ook te groot zou zijn'. Alle vrienden en sympathisanten ontvangen uitvoerige mailbrieven, elk project wordt tot in detail beschreven op de website. De gevers kunnen 'hun' kinderen, daklozen of schooltjes vaak op de voet volgen en in hun vakantie zijn ze welkom in Antigua. Bezoekers en vrijwilligers schrijven op hun beurt weer verslagen op de site: de hele olievlek van activiteiten is terug te vinden op internet. Reisden de geldinzamelaars vroeger (en nog trouwens) met veel enthousiasme en een koffer vol dia's langs scholen (zilverpapier!), kerken en bejaardenhuizen, ook internet vormt voor veel projectjes inmiddels een onmisbare schakel. Esther Jacobs van de Donateursvereniging ziet de kleine particuliere projecten en de moeder Theresa's nieuwe stijl als een positieve ontwikkeling: 'De kracht schuilt erin dat de initiatiefnemers zo'n doel heel dichtbij brengen, ook al is het in een ver buitenland. Dat kan mede dankzij internet.'

 Co Foundation, Kerboschsstraat 34, 5913 WH Venlo; www.yelkabe.nl; www.devliegendenonnen.nl; Stichting Project Brazilië, Breitnerlaan 49, 2596 GW Den Haag; www.stichtinglosninos.nl; www.donateursvereniging.nl

Terug naar voorgaand scherm